De dikte van muurfolie ligt meestal tussen 60 en 100 micrometer, en dat verschil bepaalt of u de rand van de sticker straks ziet zitten. Daarnaast telt de manier van produceren: gegoten vinyl houdt geen spanning vast en krimpt niet terug, gekalanderd vinyl wel. Die twee eigenschappen zeggen meer over de levensduur dan de prijs.
Gegoten en gekalanderd vinyl verschillen in spanning
Vinylfolie wordt op twee manieren gemaakt en dat verschil merkt u pas na maanden. Gekalanderd vinyl is uitgewalst tussen rollen en houdt daardoor spanning in het materiaal; het wil op termijn terugkrimpen naar zijn oorspronkelijke vorm. Op een vlakke wand valt dat nauwelijks op, maar rond een hoek, op een deurpaneel of op een gebogen vlak trekken de randen na een tijd los.
Gegoten vinyl is vloeibaar op een drager gegoten en kent die spanning niet. Het is dunner, soepeler en duurder, en het volgt een oneffen ondergrond veel beter. Fabrikanten geven aan gegoten folie doorgaans een aanzienlijk langere buitenlevensduur dan aan gekalanderde folie uit hun eigen assortiment; binnenshuis vertaalt dat zich vooral in randen die na jaren nog vlak liggen.
Aan de rol is het verschil te voelen. Gekalanderd materiaal veert terug als u er een lus van maakt; gegoten materiaal blijft liggen. Bij een grote sticker die jaren moet blijven zitten is de meerprijs terecht, bij een tekst in een kinderkamer die over twee jaar toch weg mag niet.
De dikte bepaalt hoe zichtbaar de rand is
Muurfolie ligt meestal tussen 60 en 100 micrometer, oftewel tussen 0,06 en 0,1 mm. Dun materiaal legt zich in de structuur van de wand, waardoor de rand van de sticker vrijwel niet opvalt en het beeld geschilderd lijkt. Dikker materiaal is steviger en makkelijker aan te brengen zonder te scheuren, maar geeft een zichtbaar opstaand randje zodra er licht langs de muur strijkt.
Wie voor het eerst een grote sticker plakt heeft aan iets dikker vinyl meer houvast: het rekt minder en vergeeft een schokkerige beweging met de rakel. Wie een fijn silhouet met dunne takken of een sierlijke letter wil, kiest juist het dunne materiaal, omdat dat bij het weghalen van het restvinyl minder snel meetrekt.
De dikte zegt niets over de sterkte van de lijm. Dat zijn twee losse eigenschappen die per productserie verschillen, en dikke folie met verwijderbare lijm bestaat net zo goed als dunne folie met permanente lijm.
Mat verdwijnt in de wand, glans komt naar voren
Matte folie weerkaatst nauwelijks licht en gaat daardoor op in matte muurverf, wat het geschilderde effect versterkt. Glanzende folie licht op zodra er zonlicht of een spot overheen valt en maakt de sticker nadrukkelijk een los object op de wand.
Het loont om die keuze af te stemmen op de glansgraad van de verf die er al op zit. Matte folie op zijdeglans muurverf valt op als een dof vlak; glanzende folie op matte verf valt op als een glimmend vlak. Wie wil dat de sticker bij de wand hoort, kiest dezelfde glansgraad als de verf. Wie juist wil dat hij eruit springt, kiest bewust de tegenovergestelde.
In een kamer met veel strijklicht langs de muur is mat vrijwel altijd de rustigere keuze. Glans werkt beter op glas, tegels en meubels, waar de omgeving zelf ook glanst.
Levensduur binnen is een kwestie van zon en lijm
Binnenshuis gaat een fatsoenlijke muursticker meerdere jaren mee. Wat de levensduur bekort is niet slijtage maar ultraviolet licht: op een wand waar de zon dagelijks direct op staat verkleuren felle kleuren zichtbaar en wordt de lijm harder en brosser. Rood en oranje verschieten het eerst, zwart en wit het laatst.
Vocht en warmte spelen mee aan de randen. In een badkamer of boven een fornuis laat de lijm eerder los, omdat condens onder de rand kruipt en de folie daar geen contact meer maakt. Een sticker vlak boven een radiator heeft hetzelfde probleem in omgekeerde vorm: de folie wordt daar dagelijks warm en de lijm gaat kruipen.
Een praktijkgrens die zelden ergens staat: het is de rand die het begeeft, niet het vlak. Een sticker gaat vrijwel nooit in één keer stuk. Hij krult eerst op één hoek op, meestal de hoek die het dichtst bij het raam of de warmtebron zit. Wie dat vroeg ziet en de hoek met een druppel montagelijm terugzet, wint er jaren mee.
De lijmlaag verschilt per toepassing
Onder het vinyl zit een lijmlaag die per soort folie verschilt in sterkte en in gedrag bij het loshalen. Permanente lijm bouwt zijn hechting op in de eerste 24 tot 48 uur en zit daarna zo vast dat verwijderen warmte vraagt. Verwijderbare lijm blijft zwakker en laat na jaren nog los zonder verf mee te trekken, maar hecht slechter op een licht poederende muur.
Er bestaat ook folie met luchtkanaaltjes in de lijmlaag, bedoeld om ingesloten lucht te laten ontsnappen. Dat is een uitkomst bij grote vlakken en bij wandposters; bij kleine silhouetten heeft het geen merkbaar voordeel, omdat de lucht daar sowieso naar de dichtstbijzijnde rand wordt geduwd.
Bij verwijderbare folie hoort een kanttekening die niet op de verpakking staat: verwijderbaar geldt binnen de termijn die de fabrikant noemt. Daarna is het verschil met permanente lijm kleiner geworden, doordat weekmakers uit het vinyl in de lijmlaag trekken en die harder maken. Dat is ook de reden waarom een sticker van tien jaar oud vaak in stukjes van de muur komt terwijl dezelfde sticker na twee jaar in één vel loskomt; de werkwijze daarvoor staat bij warmte, trekhoek en lijmresten.



